krimpende middelen en toch vitaalProtestantse Gemeente Groningen goed bij kas?

Protestantse Kerk zit erg goed bij kas. Miljoenen op bankrekeningen. ‘Gebruik financiële reserves om de kerk te vernieuwen’. Onder deze kop maakte Trouw melding van het rapport ‘Krimpende middelen en toch vitaal’ van de Protestantse Theologische Universiteit Groningen, dr. Marten van der Meulen (oktober 2015). De centrale onderzoeksvraag in dit rapport: Welke ruimte biedt de huidige financiële situatie van protestantse kerken in Groningen, Friesland en Drenthe voor nieuwe investeringen? Het doel: plaatselijke kerken en de landelijke kerk handvatten geven voor beleid.

Het onderzoek concentreert zich specifiek op de geldmiddelen als onderdeel van de bezittingen van de betreffende kerken, aangezien deze direct beschikbaar zijn voor nieuwe investeringen. Geldmiddelen: dat is het geld dat op lopende rekeningen, spaarrekeningen en spaardeposito’s gestald staat. We hebben het dus niet over vermogen dat bijvoorbeeld in landerijen en gebouwen of aandelen zit (p12,13).

Er staat 151,7 miljoen euro op de bankrekeningen van de noordelijke protestantse kerken (cijfers van 2011). De grootste groep van gemeentes heeft, gerekend per belijdend lid, tussen de €0 en €250 aan geldmiddelen. Het gaat om meer dan 25% van het totaal aantal gemeentes. Aan het andere eind van het spectrum vinden we gemeentes waar men per lid €5.000 of meer op de bank heeft staan.

De Protestantse Gemeente Groningen (PGG) had 31 december 2014 €629.312 aan geldmiddelen en 3238 belijdende leden. Dus €194 per lid. Daarmee behoort Groningen ogenschijnlijk tot de minst bemiddelde groep gemeenten. Bewust schrijf ik hier ogenschijnlijk. Waar het rapport het opvallend noemt dat de categorie “geldmiddelen” bijna de helft van de bezittingen beslaat, is dat bij de PGG slechts 12%. Ruim de helft van het totaal van €5.295.570 aan bezittingen bestaat uit beleggingen. Deze zijn weliswaar niet allemaal a la minuut voor investeringen beschikbaar, maar zeker voor een deel wel op redelijke termijn.

Het rapport laat de post onroerende zaken als onderdeel van de bezittingen bewust buiten beschouwing. Het is namelijk vaak lastig te bepalen hoeveel onroerend goed waard is.
Ook op de balans van de PGG is dit het geval. Hier is de waarde van het onroerend bezit gesteld op €1.455.753 (verzekerde waarde €20.800.000!). Kerken als De Ark en de Immanuelkerk staan op de balans slechts voor €33.000 elk gewaardeerd.

De vrijwillige bijdrage is de belangrijkste inkomstenbron van de meeste kerken. Gemiddeld is 56% van de baten is afkomstig van giften, maandelijkse overmakingen en de inkomsten van de Actie Kerkbalans. Voor relatief veel gemeenten ligt dat percentage hoger. Dat betekent dat verreweg de meeste kerkelijke gemeentes echte vrijwilligersorganisaties zijn. Er zijn gemeentes waar leden gemiddeld €25 geven, en gemeentes waar het gemiddelde rond de €350 ligt, maar de grote meerderheid van de gemeentes krijgt ergens tussen de €125 en €175 per lid.
Bij de PGG maken de bijdragen 62% van de baten uit. Uitgaande van (slechts) 2875 betalende leden is dat €295 per lid. Een mooie score, althans wat het gemiddelde betreft. Niet t.o.v. het totaal aantal belijdende en doopleden, namelijk ruim 13.000!

Samenvattend concludeert het rapport dat protestantse gemeentes over het geheel genomen zeker niet armlastig zijn, hoewel er rekening gehouden moet worden met grote verschillen. De opstellers denken dan ook dat ruimte voor nieuwe investeringen er zeker is. Dat geldt mijns inziens zeker ook voor de Protestantse Gemeente Groningen, ook al lijkt dat door het tekort op de begroting 2016 van €146.994 minder aannemelijk.

Langjarige trends zijn minder gunstig
Al is de financiële situatie in veel gevallen niet onaardig, als we naar de langjarige trends kijken wordt het beeld toch minder gunstig, aldus het rapport. Afnemende ledentallen, landelijk een afname van 28% belijdende lidmaten in 15 jaar. Bij de PGG - 43%!
Eveneens zijn er minder predikanten. Landelijk in de afgelopen 15 jaar een vermindering van 28%. Het gemiddelde was al die jaren 1 predikant op ongeveer 490 belijdende leden, ook in Groningen.
Bij de PGG: een vermindering van 11,25 fte (fulltime-equivalent) predikant in 2001 naar 6,7 fte (inclusief kerkelijk werkers) in 2014, dus - 40%. De daling in het aantal fte gemeentepredikanten volgt de daling van het aantal lidmaten nauwgezet, aldus het rapport. Zo ook in de PGG.

Een andere trend wordt gevormd door afnemende inkomsten uit Kerkbalans. In Noord-Nederland in 5 jaar 8%. In Groningen zeker niet minder. Het concept beleidsplan van de PGG gaat voor de komende jaren uit van een terugloop met 3% per jaar. Daarbij wordt niet vermeld dat in de afgelopen jaren tal van legaten de pijn van deze terugloop hebben verzacht.
Tenslotte signaleert het rapport, dat ook de demografie niet meewerkt. Zestigers, oftewel de “babyboomers”, vormen de grootste groep in de Protestantse Kerk, terwijl jongere generaties, met name dertigers, veel minder bij het kerkelijke leven betrokken zijn. De komende tien, vijftien, twintig jaar neemt het aantal kerkleden fors af door sterfte. En daarvòòr al zullen veel babyboomers minder actief worden door ouderdom en ziekte. Hun aantallen zullen niet ververst worden door mensen uit de jongere generaties: daar zijn gewoon veel minder van. Het effect op de vrijwillige bijdrage laat zich raden.

Wat is er nodig voor de toekomst?
Deze vraag valt in feite buiten de onderzoeksvraag: Welke ruimte biedt de huidige financiële situatie voor nieuwe investeringen? Het antwoord op deze vraag is duidelijk: ja, er is ruimte.
Toch zijn her en der in het rapport denkrichtingen te vinden. Allereerst menen de opstellers dat de Protestantse Kerk een goede richting is ingeslagen door ruimte te bieden aan pioniersplekken. Inzetten op innovatie is bij uitstek iets wat zij vinden dat kerken nu zouden moeten doen. Vernieuwing vraagt denk- en menskracht en financiële middelen. Benut die nu die er nog in voldoende mate zijn.
Benut daarbij ook diaconale middelen. De kans is groot dat als de kerk verdwijnt, ook het diaconaat verdwijnt. De opstellers spreken in dit rapport vrijwel alleen over kerkelijke gelden. Ze hebben bewust diaconale gelden uit hun onderzoek gehouden, omdat deze gelden in principe niet bedoeld zijn voor het onderhouden van kerkgebouw, predikant etc. Het kan echter voorkomen dat er ook op diaconaal vlak investeringen gedaan kunnen worden, zeker in gebieden waar de diaconie traditioneel veel geld op de bank heeft staan. Deze gelden zouden ook gebruikt kunnen worden voor het investeren in pioniersplekken met een duidelijke diaconale dimensie (p27).
In Groningen liggen hiervoor zeker mogelijkheden. Hoewel het tekort op de diaconale begroting 2016 van €32.000 anders doet vermoeden, geniet het College van Diakenen al jaren van een positief resultaat en een gestage groei van zijn vermogen (€160.000 in 2014). Het totale vermogen in beheer bij dit College bedraagt inmiddels ongeveer €4.900.000!

In het rapport wordt gewaarschuwd voor de risico’s van vermindering van de predikantsformatie en het afstoten van kerkgebouwen. Dominees zijn toch vaak de gangmakers van een gemeenschap. Door op pastoraat te bezuinigen loop je als gemeente het risico dat er minder enthousiasme komt, mensen minder betrokken raken bij het kerkelijk leven en ook minder gaan betalen, waardoor er sprake is van een neerwaartse spiraal. Tenzij een kerk een andere wijze van gemeenschapsvorming weet te ontwikkelen waarbij de dominee minder belangrijk is als aanjager van het gemeenteleven, of als de gemeente dominees weet te vinden die minder kosten, is het lastig om op de post pastoraat te bezuinigen (p10).
Voor de lasten van kerkgebouwen geldt eenzelfde verhaal: het kerkgebouw speelt een zeer belangrijke rol in het gemeenteleven. De dienst op zondag is voor veel kerkelijke gemeentes het centrale punt in het gemeenschapsleven. Zodra een kerkgebouw gesloten wordt, betekent dit vaak ook het afsterven van (een deel van) de gemeenschap die zich daaromheen vergaderde. Ook hier is dus het risico reëel dat de inkomsten nog verder of zelfs versneld afnemen. Dat betekent niet dat kerkgebouwen tegen elke prijs behouden moeten worden. Afstoten kan een gezonde strategie zijn in een periode dat er minder vraag naar gebouwen is. Daarentegen vraagt het wel van gemeentes om vormen van gemeenschap te ontwikkelen waar een gebouw minder belangrijk is (p10).

Maar ook aan de inkomstenkant valt te werken, aldus de opstellers. De komende jaren kunnen protestantse kerken verwachten dat de vrijwillige bijdrage verder zal afnemen, tenminste als er geen vernieuwing komt en het geld opgebracht moet worden door de langzaam slinkende groep betrokken leden. Wat ook niet helpt is dat op dit moment oudere generaties de meest vrijgevige leeftijdsgroep zijn in de kerk. Het zou natuurlijk kunnen dat de huidige jongere generaties naarmate zij ouder worden meer gaan geven aan de kerk en daar liggen zeker mogelijkheden, maar daar zal dan wel beleid op gevoerd moeten worden (p19).
Er is ook een suggestie van crowdfunding. Dat creatieve crowdfunding niet alleen weggelegd is voor de mooie grote kerken, bewijst recent onderzoek.

Tenslotte
De Protestantse Gemeente Groningen beschikt vooralsnog over ruime financiële reserves. Mijns inziens ontbreekt het in de recente beleidsplannen van de Algemene Kerkenraad en het College van Diakenen aan creativiteit en visie om die op vernieuwing in te zetten. In plaats daarvan is besloten tot zeer ingrijpende bezuinigingen en instandhouding van het eigen vermogen. Het rapport wijst op aanzienlijke risico’s hiervan en maakt duidelijk dat er andere wegen zijn. Maar ook dat de tijd dringt.

Kor Keegstra